Skip to content

Nina en Zoë

‘‘Ik heb mijn hand omhoog en zeg de maan gedag,

 ik ga slapen en morgen kom ik weer en vertel je dan, wat ik dan in mijn dromen zag en misschien nog ietsje meer!’’

Daar staan we dan. Wij, onze zus Iris en onze neefjes en nichtjes. Zingen voor onze vader die nooit meer terug zou komen. Maar dat beseffen we niet. Besef dat ook niet kan komen. We zijn pas 2 en 3 jaar. Niet begrijpen wat er aan de hand is. Onvoorwaardelijke liefde die we hebben, voor onze vader en voor elkaar. Een hobbelige zusjesband; onafscheidelijk, maar wat kunnen we soms botsen. Allebei ons eigen rugzakje, maar iets wat we delen: een leven waarin onze vader vrijwel geen onderdeel is van wie wij zijn. Alles in wat wij delen, de dood van onze vader, is gewoonweg dubbel. 

Herinneringen aan de uitvaart hebben we nog. De kist vol met tekeningen en handafdrukken. De uitvaartbus. Ballonnen samen oplaten. Het doosje met een plukje van de kuif van onze vader. We hebben echt mogen ervaren. We werden deze dagen losgelaten. Er is een film van de afscheidsplechtigheid gemaakt. Het was zo druk; er stonden zelfs mensen buiten. De zeeverkenners, waar onze vader bij zat, stonden als eerbetoon in uniform en met roeispanen om de kist. Het is bijzonder om te zien hoeveel mensen er waren, maar wat voelt het soms oneerlijk. Zij hebben een band met onze vader; herinneringen die wij niet hebben. Boos dat wij hem niet kennen. Er vrijwel niet over mee kunnen praten. Zij weten hoe hij eruit zag; hoe hij praatte. Zij herkennen veel van hem in ons. Wij hebben geen idee. Herinneringen die er zijn koesteren we, maar door alle verhalen kan het soms echt zijn dat het niet eens onze eigen herinnering is, maar onbewust aangepraat.  

Nina: ‘‘Ik wilde iedereen blij maken. Er waren zoveel mensen in de periode voordat onze papa overleed. Ook deed ik na zijn overlijden nog een keer zijn ogen open. Papa is weer wakker…’’ Zoë: ‘‘Na het overlijden belde ik hem onder de tafel met mijn Hello-Kitty-telefoon. Om te vertellen hoe het ging en hoe mama had gekookt. Op school vertelde ik na zijn dood dat mijn vader altijd aan het werk was. Wanneer ik naar school ging was hij al weg en wanneer ik naar bed ging, was hij nog niet thuis.’’ Nina: ‘‘Ik praatte vaak tegen het plafond; starend naar een bepaald punt. Even de dag bespreken. Altijd met de intentie dat er iets zou zijn of dat hij me zou horen.’’ We zijn pas op een latere leeftijd begonnen met rouwen. Maar rouwen is niet eens het goede woord. Eerst was er de hoop dat hij ooit terug zou komen. Later moet je beseffen dat hij niet meer terugkomt. Het is keihard te moeten accepteren dat hij er niet meer is. Geen bewust gevoel of herinneringen betekent dat de emoties een andere betekenis krijgen; enigszins ongrijpbaar blijven. Uiteindelijk is het iets wat we zelf moeten doen. Erover praten en altijd bij ons dragen; op onze eigen manier.

Onze vader wordt omschreven als lekker ongecompliceerd; droog, altijd lopend op klompen, stevige versleten spijkerbroeken, geruite overhemden, simpel, kijkend hoe anderen konden genieten, nuchter in het leven, rustig. Nina heeft de droge humor en het zich niet zo druk maken. Zoë meer het uiterlijk. We beseffen dat alles wat we hier over hem zeggen ervaringen van anderen zijn. We hebben foto’s van de jeugd van papa en zijn tijden dat er nog niks aan de hand was en foto’s van zijn ziektebed; een hersentumor die uitgezaaid was naar zijn ruggenmerg. Totaal verschillende personen. Na zijn dood heeft mama echt het beste van de situatie gemaakt. We konden met alles bij haar terecht en mochten alles vragen. Door ons wilde ze haar bed uitkomen; had ze iets om voor te leven.  Net als Ronald, de broer van papa. Hij ondersteunde onze moeder en was veel bij ons thuis. Nu is hij degene die onlosmakelijk onderdeel is van ons leven. Van oom naar (stief)vader en nieuwe partner van onze moeder. Dat is het verhaal, maar wij willen niet bezig zijn met labels. Natuurlijk was het soms moeilijk. Het besef dat hij misschien wel altijd zou blijven of de angst dat hij de plek van onze vader zou gaan innemen. We hebben eigenlijk altijd twee ouders; maar toch ook niet. Het is een ontastbaar gevoel en we weten dat er ook kritiek op is geweest.

De liefde voor onze vader, hoe vaag de herinneringen ook zijn, is onvoorwaardelijk en is er altijd. Maar toch is deze liefde er ook voor Ronald. Maar je houdt op een andere manier van hem. Dit is later gecreëerd. Er is geen naam te geven om te benoemen wat hij voor en van ons is. De band is moeilijk in woorden te omschrijven. Als mensen het vragen of we hebben het erover met anderen, zeggen we dat het onze stiefvader is. Maar wij zijn en leven nu als een gezin. Zonder daar een label aan te hangen. Hij draagt veel herinneringen mee van onze vader en zorgt ervoor dat wij met trots altijd de naam Koreman zullen blijven dragen. Het hoort bij ons verhaal. Maar we hebben ook geen situatie om ons verhaal mee te vergelijken, ook al moet je dat misschien nooit doen. Maar de situatie is erg dubbel en maakt ons tot wie we zijn.

Leren omgaan met rouw, of hoe je het ook wilt noemen, kan niet. Iedereen doet dat anders. Het blijft afwachten hoe je elke keer weer reageert. Bij een nieuw afscheid reageren wij ook continu anders. Juist door wat wij mee hebben gemaakt is het moeilijk om emoties te benoemen. We denken dat we ook nooit zullen begrijpen hoe we ons voelen. Dat is apart om te zeggen, omdat het zo’n groot ding is in ons leven. We kunnen echter nooit spreken uit ‘eigen ervaring’. Het is er gewoon. Ook het vertellen is nu altijd hetzelfde. Zonder tastbare emotie, omdat we ermee moesten en moeten leren leven. Er wordt, misschien wel juist doordat de situatie zo is, weinig gevraagd hoe wij ons voelen en hoe het met ons gaat. We moeten goed voor onszelf zorgen. Onszelf de ruimte geven en gunnen, waardoor we anderen ook kunnen ondersteunen. Aangeven wat we nodig hebben en hoe we ons voelen. Erover blijven praten. Het is zo belangrijk. Je kan nooit rouwen als je het niet op je eigen manier doet. 

‘‘Papa, we zijn doorgegaan en we zijn oké’’. Maar als er echt iets zou zijn dat we nu tegen jou mochten zeggen, dan zouden we daar de woorden niet voor kunnen vinden.