Skip to content

Veronique

Het is een warme zomerdag in, naar ik meen, het jaar 2005. Je bent op dat moment een jaar of tien oud en ik kom net zoals iedere middag vanuit school de straat in gereden op mijn zwarte Peugeot Viva City snorscootertje. Nietsvermoedend zet ik mijn scooter op zijn standaard voor het raam van ons ouderlijk huis, als ik opeens iets onder het bankje op het pleintje voor ons huis zie liggen. Een hoopje mens… Mijn broertje wel te verstaan. Grinnikend in mezelf, omdat ik nu al weet dat het verhaal dat er aan vastzit vast weer hilarisch gaat zijn, loop ik naar het betreffende bankje toe. Onderweg naar het bankje zie ik dat er een tasje naast hem ligt. Ik moet nog harder grinniken in mezelf. Aangekomen bij het bankje vraag ik hem voorzichtig waarom hij onder het bankje voor ons huis ligt. “Ik ben weggelopen”, is het korte antwoord dat ik toegeworpen krijg. 
Oke.. Hilarisch dus. Met heel veel moeite slik ik mijn eerste lachkick weg en vraag hem zo serieus mogelijk waarom dan. “We hebben echt een slechte moeder! Ik mocht weer geen pokemonkaarten kopen!” Shit.. Een tweede lachkick komt omhoog borrelen en ik moet nog meer moeite doen om serieus te blijven. Ik besluit hem te vragen wat hij dan in het tasje heeft zitten. “Ja, wat denk je? Mijn Pokemonkaarten en mijn joki natuurlijk!!”. Oh ja, dat is natuurlijk echt van levensbelang als je besluit weg te lopen. Hoe durfde ik het überhaupt te vragen. Voorzichtig zeg ik hem dat ik wel weer naar binnen ga en vraag of hij met me mee naar binnen komt. Natuurlijk krijg ik direct een heel resoluut antwoord: ‘‘Nee’’. Hij is tenslotte weggelopen omdat we een verschrikkelijke moeder hebben. Welke moeder geeft haar zoon nou niet iedere dag tientallen euro’s om uit te geven aan Pokemonkaarten. Onbegrijpelijk. Zeker weten… Dus ik besluit dan maar om afscheid te nemen. 

Ik loop naar onze voordeur, pakweg tien meter van het bankje waaronder hij schijnbaar besloten heeft te gaan wonen nu hij weggelopen is van huis, en kan mijn lach echt niet meer inhouden. Ik zak bijna door mijn benen terwijl ik mijn sleutel omdraai in het slot en kruip lachend de gang in, op zoek naar mijn moeder. Toevallig staat ze in de keuken en ze oogt vrij rustig. 
“Hey mam, je weet dat Anthony weggelopen is?”
“Jazeker.”
“Oke, en je weet ook waar hij is?”
“Nee, dat niet.”
“Oh.. Hij ligt onder het bankje op het plein.”
Ik zie opluchting in haar ogen en ik ben trots. Trots op het feit dat onze ruggengraatloze moeder voet bij stuk gehouden heeft, ondanks dat de paniek haar van binnen totaal in beslag moet hebben genomen; omdat je weg was en ze niet wist waar je was…

4 september 2012. ‘S ochtends.  Ik breng je die ochtend naar de introductie ochtend van je nieuwe opleiding in Hoofddorp. 17 jaar oud, bijna volwassen, en zonder schaamte eis je gewoon dat ik met jou mee die klas in ga. Zuchtend probeer ik je nog uit te leggen dat dat echt niet de bedoeling is, maar ‘nee’ was nou eenmaal niet een woord dat je zomaar even accepteerde. Dus zuslief stapt vol plaatsvervangende schaamte mee de klas in. Ik word door je op een stoel gedwongen en kom daar het eerste uur niet meer vanaf. Er komt een voorstelrondje en zonder schaamte stel je mij nog even voor aan je gehele nieuwe klas als je zus zijnde. Braaf heb ik verder de gehele intro aangehoord, waarna er opdrachten moesten worden gedaan. Toen vond ik het wel mooi geweest. Gepikeerd over het feit dat ik toch weg ga en je later weer op kom halen, laat je me uiteindelijk toch maar de klas verlaten. Twee uur later pik ik je weer op. Je zit vol verhalen. Vol met plannen en goede moed zie jij op dat moment je toekomst tegemoet. Je blaast m’n speakers in m’n auto nog even op met de muziek die je aan het draaien bent en dan zijn we weer thuis. Je gaat met Barrie, je beste vriend, naar het strand. Ik zit nog geen seconde op de bank en ik hoor vanuit de deuropening in de huiskamer: ‘’Maar zussie, je kan toch ook mee gaan?’’
‘’Nee Anthony, ik ga niet met jou en jouw vrienden naar het strand.’’
‘’Ahh, maar wil je me dan wel brengen?’’
‘’Nee, ik ben je persoonlijke taxichaffeur niet!’’
 ‘’Oke, maar zussie..’’
‘’Ja?’’

‘’Gaan we vanavond wel naar de zonnebank?’’
‘’Ja, we gaan vanavond wel samen naar de zonnebank..’’
Je doet je haar en daarna nog even een druk dansje in de deuropening en rent richting de voordeur; ‘’Vanavond zonnebank he zussie!!’’
‘’Jahaaa vanavond zonnebank…’’

4 september 2012. Rond de klok van 15.00 uur. Ik zit met mijn ouders op een terras. Ik heb net een paar dagen daarvoor mijn vriend, waarmee ik samenwoonde, betrapt in bed met een ander. Ik woon net weer vier dagen thuis en papa en mama proberen mij een beetje op te vrolijken door me mee uit huis te sleuren. De telefoon gaat. Anthony heeft een ongeluk gehad. Het is ernstig; er is een traumaheli bij. Met spoed haasten we ons richting het VU. In de auto durft mama al uit te spreken dat het niet goed zit. Ze voelt het. Ik voel het ook… Maar we zijn nou eenmaal geen gezin dat de hoop snel opgeeft. Wij vechten tot het gaatje. Dus nu ook. Een slopende dertien uur lang brengen we door tussen vrees en hoop. Rond 21.00 uur ’s avonds merken we op dat de tamtam al rond geweest is en ontvangen wij al condoleances van mensen. We zijn op dat moment nog vol voor jouw leven aan het vechten, maar er gaat al rond dat je het niet gehaald hebt. Ziedend loop ik door het ziekenhuis. Hoe durven ze… Jij gaat dit gewoon halen!! Jij bent Anthony. Jij bent onverslaanbaar!! Jij bent een Stokman en die laten zich er niet onder krijgen! Uiteindelijk komt de dienstdoende arts binnen en zegt dat het misschien beter is om thuis even wat uurtjes rust te pakken. Mama weigert. Papa brengt mij en oma naar huis en besluit dan toch ook weer terug te gaan.

Oma en ik proberen samen in bed nog even wat te rusten. Maar van slapen komt het natuurlijk niet. Uiteindelijk gaat mijn telefoon. Papa. ‘‘Veer, je moet nu terugkomen. Je moet afscheid nemen. Het gaat slechter met hem.’’ Totaal in paniek de auto in. Ik raak de weg kwijt, midden in Amsterdam, terwijl mijn navigatie aanstaat. Ik zie politie achter me rijden en besluit mijn auto midden op de weg stil te zetten. Ik gooi m’ n deur open, ren naar de politieauto en leg gehaast het hele verhaal uit. ‘’Achter mij aan!’’, zegt  de politieman kordaat. Door rode lichten en in volle snelheid dirigeert de politieauto mij naar het VU.

5 september 2012. We komen aan in het VU en krijgen te horen dat we een beslissing moeten maken. Laten we hem aan de machines liggen die hem op dat moment in leven houden, maar die hem niet meer gaan redden, of laten we hem los, bevrijden we hem… De keuze is niet makkelijk, maar we besluiten uiteindelijk dat we het laatste doen. We bellen de mensen die er bij moeten zijn en die arriveren niet veel later. Met lood in onze schoenen lopen we je kamer in. Je ligt daar aan allerlei slangetjes. Een verband om je hoofd. Geen teken van leven. Je bent al ijskoud. Je handen zijn al stijfjes, maar ik hou ze toch vast.

5 september 2012; 03.10 uur. Terwijl je voor de laatste keren je adem uit blaast, kijk ik naar je… Je bent hier al niet meer. Ik merk het aan alles. Dit is alleen nog het lijfelijke gedeelte waar we omheen staan met zijn allen. Toch blijf ik je vasthouden, omdat dat het laatste is wat we nog van je hebben op dat moment.

5 september 2012; 03.14 uur. Je lichaam is gestopt met ademen, je hart gestopt met kloppen. Ik voel me leeg en doods van binnen. Ik voel me alsof een heel groot deel van mij met jou mee vertrokken is naar je nieuwe bestemming. Alle hoop, al het leven, is uit me gevloeid en ik weet op dat moment al… Dat komt nooit meer helemaal goed.

5 september 2012. De ochtend is aangebroken. We hebben in de familiekamer nog wat rust proberen te pakken, maar geen van allen heeft geslapen. Verslagen stap ik in de auto. Ik draai mijn sleutel om. En het nummer waarmee je gister mijn boxen hebt opgeblazen, begint uit mijn speakers te komen… Het is het enige dat ik opmerk op dat moment. Ik zit ik in de auto terug naar wat ooit als thuis voelde. Nu ben ik leeg… Ik voel niks meer. Geen besef van tijd. Ik voel me verdoofd. Later die ochtend arriveert de begrafenisonderneemster… En op dat moment weet ik… Voel ik… Het komt niet meer goed. Ik breek. In miljoenen stukjes… Ik kan niet meer stoppen met breken…

Oktober 2019. We zijn zeven jaar verder en het enige tastbare dat ik nog van je heb, staat veilig opgeborgen in mijn kast. Je armband, je aansteker, het medaillon met je haartjes… Het ligt allemaal in mijn doosje vol herinneringen. Want dat is wat het nu alleen nog is… Een herinnering. Meer dan dat zal ik nooit meer van je vast kunnen houden. De enige manier om nog in je reebruine ogen te kijken, is het bekijken van je foto’s. De enige manier om je stem nog te horen, is het bekijken van je filmpjes… Dichterbij dan dat zal het tastbare nooit meer komen. En dat doet pijn, want het is oneerlijk en onnatuurlijk. Het hoort niet zo te zijn. Je had hier moeten zijn, om samen met ons oud te worden. Om de leukste oom ter wereld voor je nichtje te zijn. Om ruzie met me te trappen om de meest onzinnige dingen. Je verdriet en je geluk met me delen. Om met mij te huilen als dit nodig zou zijn. En met me te lachen tot we zouden omvallen. Je hoort hier te zijn, en mij ooit de gelukkigste tante van de wereld te maken. Je hoort hier te zijn om me te treiteren zoals alleen jij dat kon. Je had gewoon nog hier moeten zijn… Voor iedereen die zielsveel van je houdt. Voor iedereen die je nog zo ontzettend nodig heeft. Voor iedereen die je niet missen kan. Voor iedereen die je nog had moeten leren kennen. Je had gewoon nog steeds mijn sterke, onverslaanbare, vol in het leven staande broertje moeten zijn…